Terug naar 20 jaar Veteranendag

Het verhaal van Johan de Jonge: “Toch ben ik blij dat ik onderdeel was van Dutchbat III.”

Johan de Jonge was onderdeel van Dutchbat III, de eenheid die de val van Srebrenica met eigen ogen zag. Het werd een missie die grote gevolgen had en die ook veel gevoelens in de Nederlandse samenleving losmaakte. Op het leven van Johan, die tijdens de val van de enclave in gijzeling zat, heeft de missie een grote invloed gehad. Voor de twintigste Nederlandse Veteranendag vertelt Johan zijn verhaal: over Dutchbat-III, de val van Srebrenica en zijn strijd voor de Bosnische gemeenschap die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Na zijn dienstplicht bleef Johan de Jonge bij defensie hangen. Hij werd gewondenverzorger en ging gewapend met zijn verzorgingstas vol verband en medische instrumenten op missie naar Bosnië. Zijn indrukwekkende verhaal over de missie begint bij de aanval op een observatiepost door een Servische tank. Daardoor moest zijn eenheid in actie komen. Johan vertelt over het noodlot dat zijn kameraad Raviv, in een andere tank, te wachten stond: “In een wit huis onderaan een berg zaten Bosnische strijders te wachten. Zij zagen een tank langsrijden, vanwaaruit Raviv bovenluiks aan het kijken was. Op het moment dat ze voor het huis langsreden, gooide een Bosnische strijder een handgranaat. Raviv raakte ernstig gewond.”

Johan leest een papier in een witte tent in Srebrenica
Johan op missie in Srebrenica

Johan hoorde dit via de radio en maakte zich gereed om te helpen. Toen hij bij de tank van Raviv aankwam, bleek dat echter niet mogelijk. “Als gewondenverzorger had ik mijn taak bij mijn eenheid, dus mocht ik niet uitstappen en helpen. Achteraf hoorde ik dat Raviv dodelijk gewond was en dat het helemaal niet had geholpen als ik was uitgestapt. Maar het voelde zo machteloos om toe te moeten kijken en niks te kunnen doen voor je collega.”

‘Als ze met klein vuur op ons kunnen schieten, kunnen ze ook met groot schieten’
Johan de Jonge

Die nacht bracht Johan met zijn eenheid door op een bergtop. Omdat ze als VN-militairen geen onderdeel waren van de strijd en om zichtbaar te zijn voor de strijdende partijen, besloten ze een grote bouwlamp op hun tank te richten. “We waren een schietschijf. We hoorden de hele nacht getik op het voertuig van afketsende kogels. Ik dacht: Als ze met klein kunnen schieten, kunnen ze ook met groot schieten. Daardoor zat ik te wachten op de grote klap, maar die is gelukkig niet gekomen.”

Bosniërs op de vlucht naar een veilige plek

De dag daarna reden ze verder naar het zuidelijkste puntje van de enclave. Daar was een vluchtelingenkamp ingenomen door de Serven en waren de mannen gescheiden van de vrouwen en kinderen. Hij vertelt hierover in de mini-documentaire: “Onderweg zagen we mensen links en rechts in de berm liggen. Het waren oudere vrouwen en jongere vrouwen met kleine kinderen. De kinderen schreeuwden en huilden panisch. Dat is een geluid wat je nooit meer vergeet en nog steeds invloed heeft op mijn dagelijks leven.”

Aangekomen in het dal, werd Johans eenheid omsingeld. Ze werden gedwongen het voertuig uit te stappen en hun helm en wapens af te geven. Johan zag dit en besloot zijn radio en een deel van zijn wapens onder in zijn gewondentas te verstoppen, waardoor hij deze mee kon smokkelen. “We werden in vrachtwagens gestopt en helemaal naar het noorden gebracht. Dan voel je aan alles dat het mis is, niet alleen voor ons, maar vooral voor de stad zelf. We reden langs de enclave, waarop vanuit alle kanten Serven stonden te schieten. Ze gaven aan dat het hun stad was en dat ze die terug wilden.”

‘We hebben toen allemaal onze laatste brief naar huis geschreven’
Johan de Jonge

Ze werden naar hotel Fontana gebracht, waar officier Karremans die avond een meeting had met de Servische generaal Mladic. Toen Karremans langskwam om hen een hart onder de riem te steken, vertelde hij dat de volgende dag de aanval op de Serven geopend zou worden. Johan en zijn kameraden zaten tegen het raam geplakt te kijken hoe de bommen, gegooid door F16-pilote Manja Blok, insloegen. In de podcast Mee Op Missie vertelt hij hoe dit voor hem voelde: “Een halfuur na de eerste bom kwam de tolk naar ons toe om te vertellen dat er doden en gewonden waren gevallen. Hij zei: ‘Bij de eerstvolgende bom die nu valt, maken we alle vluchtelingen en jullie af.’ Toen voelde de dreiging wel echt groot. We hebben toen allemaal onze laatste brief naar huis geschreven.”

Na een paar lange dagen werd Johan terug naar Nederland gestuurd. Daar ontstond een beeld van Dutchbat III wat in Johans ogen onterecht is. “Het is belangrijk dat mensen kunnen horen wat zoiets met je doet. Ik was 21 en echt nog een broekie. Toch ben ik blij dat ik er zelf voor heb gekozen om daarheen te gaan. Het klinkt raar, maar ik ben blij dat ik onderdeel was van Dutchbat III. Het heeft me met vallen en opstaan gevormd tot wie ik nu ben.”

‘Ik dacht dat ze ons de schuld zouden geven, maar we werden met open armen ontvangen’
Johan de Jonge

Er is inmiddels bijna dertig jaar verstreken sinds de missie van Dutchbat III en de val van Srebrenica. Steeds meer wordt er geluisterd naar het volledige verhaal en voelen de veteranen erkenning en waardering. Johan vertelde hierover op de Nederlandse Veteranendag in 2008, het jaar waarin hij ook zijn eerste terugkeerreis naar Srebrenica maakte. “Toen we daar aankwamen, had ik het idee dat we zouden worden uitgejouwd en dat de bevolking het als onze schuld zou zien. Maar er stond een man met zijn armen open en hij zei: ‘Welcome friends from Holland.’ Ik kende die man niet, maar dat voelde voor mij zo open en bevrijdend.”

Het huidige sportveld in Srebrenica

Sinds die eerste reis is Johan zelf reisleider geworden en begeleidt hij Dutchbat III-veteranen bij de terugkeer naar de enclave. De eerste stop is altijd het graf van zijn kameraad Raviv, die vanuit het witte huis werd neergeschoten. Dat er sinds de burgeroorlog weinig is veranderd in het gebied, steekt Johan. “Ik wil met name iets betekenen voor de jeugd in Srebrenica. Dat kan ik het beste doen door een sportveld aan te leggen waar de jeugd samen kan voetballen en basketballen. Daarvoor ben ik nog steeds aan het sparen. Als dat volgend jaar gerealiseerd kan zijn, dertig jaar na dato, zit hier echt een blij man.”