Mee Op Missie met Peter Tankink: "Die ene seconde voelt in zo’n moment als vijf minuten"
Peter ‘Wobble’ Tankink vloog 33 jaar lang op de F-16 voor de Koninklijke Luchtmacht en werd uitgezonden naar onder meer Bosnië, Kosovo en Afghanistan. Tijdens de NAVO-operatie boven Kosovo schoot hij op 24 maart 1999 een Servische MIG-29 neer, een actie waarvoor hij later onderscheiden werd met het Vliegerkruis. Tankink vertelt over adrenaline in de cockpit, machteloosheid boven Afghanistan, en hoe zijn wens om te vliegen ontstond.
Alleen maar vliegen
Peter wist al vroeg dat hij later wilde vliegen. Toen hij een jaar of vijf was, zat hij bij een vriendje thuis met een koptelefoon op zijn hoofd. “Dat hebben piloten in een vliegtuig ook,” zei de zijn vriendje. Later, toen hij negen jaar was, zag hij hoe gezagvoerder Pim Sierks van Transavia werd ingezet als piloot bij een vlucht met Japanse gijzelnemers tijdens de gijzeling van de Franse ambassade in Den Haag, Die combinatie van avontuur en verantwoordelijkheid maakte indruk op de jonge Peter: “Dat wil ik later ook.”
Zijn familie had geen militaire achtergrond. Peter had ook helemaal geen behoefte aan een ‘standaard’ loopbaan bij Defensie. Hij wilde geen technisch officier worden, of met logistiek bezig zijn: “Ik wilde gewoon vliegen. Dat was het enige.” Dat Defensie hem die kans gaf was eigenlijk gewoon een gelukkig toeval. Op zijn zeventiende vulde hij zijn gegevens in op een bonnetje uit de KRO-gids en stuurde dat op naar de Luchtmacht.
Peter vloog uiteindelijk 33 jaar lang op de F-16. Toen de overstap naar de F-35 eraan kwam, werd voor hem de balans opgemaakt. Het rendement om hem te laten omscholen was er niet meer. “Met het einde van de F-16 eindigde ook mijn operationele vliegcarrière.” Hij kijkt er een beetje verdrietig bij, geeft hij zelf toe. Hij zou nog graag wíllen vliegen, maar hij begrijpt ook dat het niet meer kan.
‘Het is een zeer bijzondere periode geweest, en ook gewoon een groot deel van mijn leven’
De nacht van 24 maart 1999
Het conflict in Kosovo escaleerde in het voorjaar van 1999. De NAVO besloot in te grijpen, en de Nederlandse F-16’s werden klaargestoomd voor actie. Peter vloog als nummer drie in een formatie van vier, vooruitlopend op een groot NAVO-pakket van vliegtuigen. Ze hadden als taak om het luchtruim boven Kosovo schoon te vegen zodat de bombardementsvliegtuigen hun doelen konden bereiken en weer veilig naar huis konden. Peter vertelt over die nacht met een precisie die je even doet vergeten dat het al 27 jaar geleden is. Elk detail wordt benoemd.
Er was hen gezegd dat de Serven hun MIG-29’s niet zouden inzetten, dat zou te risicovol zijn op de eerste nacht. Maar drie minuten voordat ze de grens overstaken, klonk het over de radio: There are three MiG-29s airborne.
‘Dan pompt echt de adrenaline door je lijf. Het is dat je vastgesnoerd zit in dat stoeltje, maar anders ga je op het puntje van je stoel zitten.’
Het was aardedonker. Ze hadden nog geen nachtzichtapparatuur. Peter zag iets opduiken op zijn radarscherm. En dat voldeed aan alle criteria van een vijandelijk vliegtuig: geen identificatie, hoge snelheid, verkeerde positie. Vanwege het bergachtige terrein verloor Peter het contact.
De radar gevechtsleider zei steeds dat hij niets zag. Maar Peter had hem weer terug op zijn scherm. En toen kreeg hij van de gevechtsleider opeens het signaal om hem aan te vallen: “You’re cleared to engage.”
Hij drukte op de knop. Er leek niets te gebeuren. “Die ene seconde tussen het drukken op de knop en het ontbranden van de raket voelt in zo’n moment als vijf minuten.” Dan is er ineens een flits. De raket was weg. Op zijn display begon een timer af te tellen: twintig seconden te gaan. Hij draaide om, keek over zijn schouder. Op nul: een kleine steekvlam vlak boven de grond “Shit,” dacht Peter, “Ik zal hem wel hebben gemist.” Acht seconden later zag hij hoe brandende wrakstukken naar beneden tuimelden. Toch gelukt. Hij trok onbewust een beetje aan zijn stuurknuppel. De F-16 schoot even omhoog.
Drie maanden na het einde van de oorlog hoorde Peter dat de piloot in de MIG die hij had aangevallen het had overleefd. “Fijn voor hem. Als ik uit de lucht geschoten word, wil ik dat ook.” Heeft hij de man ooit ontmoet? Nee. Wil hij dat? Ook nee. “Het was op dat moment onze taak.”
Voor zijn optreden gedurende die missie werd Peter onderscheiden met het Vliegerkruis, een van de vijf dapperheidsonderscheidingen die Defensie kent. Tegenwoordig is hij voorzitter van de Vereniging Dragers Militaire Dapperheidsonderscheidingen, de club die zich inzet voor de erkenning en verbondenheid van militairen en veteranen met een dapperheidsonderscheiding. “Het is niet alleen voor het drukken op die knop. Het is voor die hele missie. We hadden ook kunnen zeggen: het is te spannend, we draaien om. Maar we bleven 22 minuten rondjes draaien boven dat land.”
Afghanistan: de dreiging beneden
Zijn eerste periode in Afghanistan, in 2005 in Kabul, was relatief rustig. In het noorden van Afghanistan was de NAVO-missie nog beperkt van aard, de inzet van F-16’s gering. Maar in zijn tweede periode, vanuit Kandahar, was dat heel anders. Er werd gevochten. En Peter hing erboven, om vanuit zijn vliegtuig hulp te bieden aan troepen op de grond.
Dat leverde een ander soort spanning op. Boven Kosovo kwam de dreiging rechtstreeks op hem af in de lucht. In Afghanistan lag die dreiging vaak juist beneden, bij de mensen op de grond. Daar werkte hij nauw samen met JTAC’s (Joint Terminal Attack Controllers), militairen die de schakel vormen tussen grondtroepen en vliegtuigen. Vanuit de cockpit kon hij zo steun verlenen aan eenheden op de grond.
Peter vertelt over een moment dat de spanning steeg: Er kwam een noodoproep binnen. Een eenheid in een hinderlaag. Peter kreeg contact met de JTAC-er en hoorde hem rennen, hijgen en schreeuwen. Hij hoorde zwaar mitrailleurvuur op de achtergrond. “Je wilt hem meteen helpen. Maar je kunt niet ingrijpen, want je weet van bovenaf niet wie de vriendjes zijn en wie de vijanden. Waar komt dat geweervuur vandaan? Je moet eerst een plaatje opbouwen.”
In die paar minuten, terwijl de man beneden rende voor zijn leven, terwijl het vuur doorgaat, voelde Peter zich machteloos. Maar toen het beeld compleet was, handelde hij, en met succes, het geweervuur stopte. “Als het dan lukt, na die vijf minuten, ja, dan is het fantastisch.”
Erkenning
‘Zijn’ F-16 uit de missie naar Kosovo heeft inmiddels een plek gekregen in het Nationaal Militair Museum. Onder de cockpit staat het silhouet van de MIG-29 die hij in 1999 neerhaalde. Dat detail werd bij een latere lakbeurt per ongeluk overschilderd, maar na protest van Peter en anderen weer teruggebracht. “Dit is een historisch feit. Dit hoort bij dat vliegtuig.”
Peter is nog steeds in actieve dienst bij Defensie, maar hij is ook veteraan. “Ik voel me veteraan. En ik ben daar trots op.” Wel duurde het even voor dat gevoel er was. In de jaren negentig waren veteranen voor hem mensen die al lang de dienst uit waren, van een andere generatie. Niet iets waartoe hij zichzelf rekende toen hij zelf nog vloog.
Als voorzitter van de Vereniging Dragers Militaire Dapperheidsonderscheidingen denkt hij daar actiever over na. Want wie telt als veteraan? Mensen die nu worden uitgezonden naar Oost-Europa, soms voor drie of vier maanden, worden officieel geen veteraan. Peter vindt dat niet helemaal rechtvaardig. “We vragen veel van hen, ook al blijven ze in Europees gebied.” Hij zag het op Veteranendag in New York, in 2020: de openlijke waardering voor iedereen die gediend heeft. “We mogen als Nederlanders best wat meer aandacht besteden aan mensen die iets gedaan hebben voor dit land.”