Terug naar het overzicht

Mee Op Missie met Heimert Horbeek: "Als je eerlijk bent, zijn ze eerlijk terug."

Als Heimert Horbeek ergens binnenloopt in zijn marine-uniform, ziet het eruit alsof hij zo weer aan boord van een marineschip kan stappen. Als het nog kon had hij het met alle plezier gedaan. Hij is in havens over de hele wereld geweest. Hij verleende noodhulp na een dodelijke aardbeving. Hij schudde de hand van een voorouder in Nieuw-Guinea. En hij hield vijftig jaar lang zijn mond over een ervaring die hem erg had aangegrepen.

Een geboren zeeman

Heimert Horbeek is 84 jaar. Hij woont op Bronbeek, het huis voor veteranen in Arnhem, waar hij nu voor de dieren zorgt. Hij heeft een kamer vol ordners met logboeken, nauwkeurig bijgehouden met een handschrift zo netjes dat het getypt lijkt. Als je hem vraagt hoe lang de reis met de Karel Doorman naar Nieuw-Guinea duurde, bladert hij rustig door een map en geeft je het exacte aantal dagen.

Hij werd geboren in Hasselt, in Overijssel. Tijdens de oorlog moest de familie ’s nachts het IJsselmeer oversteken op een vissersschip. Hij was vier jaar. Het stormde, de golven waren hoog, en vrijwel iedereen aan boord werd ziek. Behalve de kleine Horbeek. De schipper merkte het op en nam hem mee naar de stuurhut. Ze dronken iets. Later zei zijn moeder dat de schipper had gezegd: dat wordt een zeeman. Op zijn zestiende ging hij bij de marine.

Heimert op een marineschip

Nee zeggen tegen soldaten

Bij Kedichem, waar ze een tijdje woonden, liep hij als kleuter regelmatig alleen naar het dorp voor boodschappen, een paar kilometer over de dijk. Onderweg kwam hij langs Duitse wachtposten die zijn tasje wilden controleren. Hij weigerde. Dat een kind nee zei tegen gewapende soldaten vertelt hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Het onrecht dat hij als kind zag, een politieagent die met twee Duitsers binnenkwam en alles in beslag nam bij mensen thuis, terwijl iedereen machteloos toekeek, dat is hem zijn leven lang bijgebleven. Het was mede de reden dat hij in dienst wilde.

Bij de marine volgde hij de Navigatie Gevechts-Informatie School. Hij voer op meerdere schepen, maakte alle havens van de wereld mee en hield alles bij in zijn logboeken, want bij navigatie schrijf je nu eenmaal alles op, klein en heel precies.

De Karel Doorman, een van de marineschepen waar Heimert mee naar Nieuw-Guinea ging

De aardbeving van Agadir

In februari 1960 voer zijn schip voor een oefening in de Middellandse Zee. Er kwam bericht van een aardbeving in Agadir in Marokko. De stad was verwoest, er waren 15.000 doden. Met volle vaart voeren ze erheen om noodhulp te verlenen. Elke ochtend gingen ze aan wal om te helpen graven en puin te ruimen. Heimert Horbeek was negentien destijds. De volwassen slachtoffers kon hij verwerken, zegt hij. De baby’s, de kinderen, in staat van ontbinding door de hitte, niet. 

Thuis vertelde hij er niet over, zijn vrouw wist van niets. Als er een aardbeving op televisie was, stond hij op en verliet de kamer. Vooral de geur was hem bijgebleven: “Dan voelde ik het weer, dan ging ik het ruiken”. 

Vijftig jaar lang begreep niemand zijn reactie. Tot hij in 2010 met zijn vrouw opnieuw naar Marokko ging. Nederlandse hulpverleners werden door Marokko uitgenodigd voor een herdenking van de aardbeving in Agadir. Zijn vrouw ging mee. Bij de bijeenkomsten vertelden overlevenden hun verhalen. Dat was de eerste keer dat zijn vrouw hoorde wat er was gebeurd. 

Noodhulp na de aardbeving in Agadir

De koppensnellers

Kort na Marokko voer hij op de Karel Doorman naar Nieuw-Guinea. Aan de noordkust raakte hij bevriend met een stam die door de Nederlanders ‘de koppensnellers’ werd genoemd. Hij vertelt over zijn contact met hen als een vanzelfsprekendheid, alsof het een doodnormale vriendschap was. Ze kwamen hem ophalen met een bootje, vier-en-een-half uur varen door de jungle. Hij bracht kleding mee voor de kinderen. Hij at mee. Hij communiceerde met handen en voeten en na een tijdje ging dat vanzelf, zegt hij.

Op zijn laatste avond voor vertrek haalde het stamhoofd een gerookt skelet tevoorschijn, van een voorvader, en vroeg Horbeek het skelet een hand te geven. En dat deed hij, het leek hem volkomen logisch. Zijn basisfilosofie over de mensen die hij daar ontmoette, en eigenlijk over mensen in het algemeen, formuleert hij in één zin: 

‘"Als je eerlijk bent, zijn ze eerlijk terug."’

Gewoon, normaal

Na zijn actieve dienst had hij In Leerdam een veteranenclub met zo’n veertig man, de meesten een heel stuk ouder dan hijzelf. Hij zegt dat hij het veteranenwerk altijd heeft gedaan omdat hij iets wil doorgeven over hoe het leven van een veteraan er werkelijk uitziet. Hij zette koffie en luisterde naar hun verhalen. Gevraagd of hij dat bijzonder vindt, haalt hij zijn schouders op. “Normaal,” zegt hij.