verhalen

Het verhaal van Thamara Batenburg: ‘Ik ben blij dat die strijder in mij zit’

Thamara Batenburg heeft zich altijd al laten leiden door haar morele kompas. Op 8-jarige leeftijd wilde ze al bij de Flying Doctors: ‘Ik wilde proberen het verschil te maken op plekken waar je moeilijk kunt komen.’ Jaren later maakte ze deze droom werkelijkheid. Niet bij de Flying Doctors, maar bij Defensie: ‘Toen ik mij aanmeldde voor de Koninklijke Landmacht zat ik ook nog in de modellenwereld. Ik deed modeshows en danscompetities in binnen- en buitenland. Op het moment dat ik aan het dansteam aangaf dat ik niet meer mee ging omdat ik beroepsmilitair wilde worden, lagen ze allemaal in een deuk. Ze dachten dat het een bevlieging was. Maar ik werd toegelaten en kwam er pas 5,5 jaar later weer uit.’

‘‘Ik ben blij dat die strijder in mij zit’’

Na de algemene opleiding werd Thamara op dezelfde kazerne als haar opa geplaatst, beiden werden opgeleid als ‘verbindelaar’ (een militair die verantwoordelijk is voor de radio- en netwerkverbindingen): ‘ik wist dit niet toen ik daar zat, want mijn opa sprak nooit over de oorlog. Hij is op de eerste VN-missie naar Zuid-Korea uitgezonden en is daar anders van teruggekomen. Ik heb daardoor ook niet veel contact met hem gehad, maar ben wel in zijn voetsporen getreden. Mijn andere opa was Moluks KNIL-officier in Indonesië. Maar ook mijn Molukse opa sprak er bijna niet over. Vooruit kijken en doorgaan, dat is wat je deed. Dat merk ik zelf ook als veteraan, wat je specifiek hebt meegemaakt vertel je niet zo makkelijk bij een Bolus (Zeeuwse lekkernij) en een kopje koffie.’

links: opa Batenburg, rechts: opa Sohilait

Na haar opleiding tot verbindelaar werd Thamara geplaatst bij het 1st Netherlands Signal Squadron in Krefeld, Duitsland. Kort daarna, in ‘97 ging ze op haar eerste missie naar Sarajevo: ‘Toen we daar aankwamen kon je een speld horen vallen. De geur, kleur en het gevoel van echte oorlog, daar kun je je theoretisch niet op voorbereiden. Alles was kapot geschoten of gebombardeerd. Het verdriet en de depressie voel je gewoon in de lucht hangen. Wat mij het meest is bijgebleven zijn de kinderen. Die renden dikwijls naar de compound omdat ze bang waren en wij mochten ze dan niet naar binnen halen. Er werd ons vanuit de conventie van Genève op het hart gedrukt een neutrale positie te behouden die je hebt als vredesmacht. Dat vond ik soms ingewikkeld.’

‘‘Met humor hebben we zoveel overleefd’’

Binnen een jaar na terugkomst ging Thamara weer op missie, dit keer naar Macedonië en Kosovo. In Macedonië werd er met spanning gewacht op de ondertekening van de vredesonderhandelingen: ‘We waren daar helemaal niet welkom. Een Britse collega van ons liep patrouille toen een Molotovcocktail een jeep opblies. Wij zaten ondertussen in een bar op de compound terwijl mijn Britse collega 12 meter door de lucht vloog door de ontploffing. Hij was pikzwart van het roet en zijn haren waren helemaal verschroeid. Zo kwam hij dat barretje binnen en zei: ‘‘What the hell mate!’. Wij schrokken natuurlijk, maar moesten ook heel hard lachen om dit aangezicht, het leek net een tekenfilm. Zelf kon hij er ook om lachen, al denk ik dat dit meer door de spanning kwam. Met kameraadschap en humor hebben we zoveel overleefd met elkaar.’

‘In Prestina (Kosovo) werden we als onderdeel van het hoofdkwartier HQ ARRC (Headquarters Allied Rapid Reaction Corps), vanuit Macedonië ingevlogen met een gevechtshelikopter. Ik was onderverdeeld in het Britse leger met één andere Nederlander, als onderdeel van de Genie. Toen we landden werd ik ongeveer uit de helikopter getrapt en moesten we een heel stuk zigzaggend rennen. Ik dacht bij mijzelf: ‘Wat is dit?’ Toen bleek er sprake van een hoog dreigingsniveau te zijn. Ons gebouw was als welkomstcadeau helemaal ingesmeerd met uitwerpselen. We hebben daar hard moeten werken om de Vrede en Veiligheid te handhaven. Ik heb mijn collega letterlijk grijs zien worden in één nacht. Je werkt onder zulke hoge druk en met zo’n enorme verantwoordelijkheid. Toch kijk ik met een positief gevoel terug op deze missie. Ik ben van nature een optimist en het heeft mij leren relativeren. Je kunt je na zo’n missie voorstellen hoe het is als je geen vrijheid meer hebt.’

‘‘Hoe harder je wordt, hoe sneller je breekt’’

Terug in Nederland heb ik in de twee jaar na mijn uitzending niet op onverharde wegen gelopen, omdat ik dacht aan het gevaar voor mijnen. Niet in het bos, de berm, op het strand,  of op voetbalvelden. Een jaar lang had ik nachtmerries. Dan ging ik slaapwandelen en hing ik ineens half uit het raam, vlak op het dak. Het bleek onbewust een verwerking te zijn van bepaalde oorlogs-en crisis ervaringen. Mijn moeder mocht mij niet wakker schudden. Ik kon dan immers denken dat zij de vijand was. Mijn moeder heeft mij toen met zachte sinaasappels steeds wakker gegooid, dan zat ik onder het zweet. Dit duurde een jaar lang en toen ebde het weg.’

‘Na de missies was ik, volgens mijn familie, veranderd. Mijn vader zei daarom tegen mij: ‘Zou je niet een keer wat anders gaan doen? Want hoe harder je wordt, hoe sneller je breekt’. Misschien begrijp je het nu niet, maar neem bijvoorbeeld een glas, die is hard, maar als je het glas laat vallen ligt het in duizend stukjes op de grond’. Een mens kan een hoop incasseren, een hoop zien en beleven, maar op een gegeven moment is het genoeg. Ik ben in 2000 uit militaire dienst gegaan en de burgermaatschappij weer ingetreden. Dat was een groot contrast waar ik nooit helemaal aan heb kunnen wennen. De kameraadschap en de één voor allen, allen voor één mentaliteit die ik ken van Defensie heb ik nog vaak gemist.

 

‘Toen ik op een informatieavond van een banenmarkt werd gevraagd naar mijn recente training- en werkervaring zei ik: ‘Ik ben scherpschutter tweede klas met een semi-automatisch vuurwapen, ik kan mijnen monteren en demonteren’. Dat vond ik wel grappig om te melden. Die mensen zaten mij aan te gapen, daar konden ze in de burgermaatschappij helemaal niets mee. Toen heb ik zelf, buiten de geijkte paden, actie ondernomen en ben ik naar een bedrijf toegestapt waar ik graag wilde werken. Te goeder trouw meldde ik mij bij de receptie dat ik een afspraak had met HR. Ik werd aangenomen en heb er vele jaren met veel plezier gewerkt. Dat vind ik leuk, dat ik mede door Defensie creatief over situaties kan nadenken en recht op mijn doel kan afgaan.

Nu jaren later ben ik zakelijk financieel adviseur, hebben we een goedlopend restaurant in Middelburg en ben ik o.a. ambassadeur bij het Veteraneninstituut, gastdocent burgerschap, voorlichter Humanitair Oorlogsrecht bij het Rode Kruis en Interim project manager voor maatschappelijke belangen. Ik ben blij dat ik nu zo op mijn plek zit en dat ik nog steeds mijn morele kompas volg dat ik als klein meisje al had. Als ik naar mijn roots kijk, stam ik (volledig) af van strijders tegen onrecht. Ik ben dankbaar dat ik veteraan ben, maar ik ben pas echt trots op mijn strijdersbloed.’

Foto: Manon van der Zwaal