‘Een klein gebaar betekent voor veel veteranen en hun gezin heel erg veel’

Naam
Gijs van Berkel
Missie
Libanon

Gijs merkte niks. Hij sliep weinig en had een kort lontje, maar had niet door dat hij een posttraumatische stressstoornis had. ‘Op een gegeven moment sliep ik nog maar een uur per nacht. M’n bedrijfsleider zag dat het niet goed met mij ging en greep in. Van de psychiater kreeg ik medicijnen om te slapen maar de nachtmerries bleven maar komen. Op advies van de psychiater ben ik drie maanden opgenomen geweest in de militaire geestelijke gezondheidszorg te Utrecht. Dat was erg zwaar. Ik kreeg verschillende soorten therapie: exposure therapie, EMDR en rollenspellen. Uiteindelijk ben ik zeven jaar in therapie geweest en nog steeds heb ik regelmatig gesprekken in het Centraal Militair Hospitaal met een verpleegkundige en de psychiater.’

 

‘Ik praat weinig over mijn missie. Alleen met mijn behandelaar, niet omdat ik dat niet wil maar omdat ik dat niet kan. Gelukkig gaat het nu wel beter. Als ik nu bijvoorbeeld van vuurwerk schrik, kan ik dat sneller verwerken. Vroeger was ik dan een paar dagen volledig van slag, nu duurt het “maar” een paar uur. Ik besef nu dat ik in m’n woning ben en niet daar op missie. Ook bereid ik mijzelf op Oudjaarsavond beter voor, ik doe een muziekje aan en de gordijnen dicht, dat scheelt enorm. Wel ben ik nog steeds heel erg alert, op straat houd ik alles en iedereen in de gaten, dat vraagt veel energie maar is helaas iets wat blijft en niet snel weg zal gaan. Soms is het lastig dat niemand aan de buitenkant ziet dat ik PTSS heb, ik heb een mooie tatoeage laten zetten met de tekst: “Not all war wounds are visible” want zo is het ook. Daarnaast zijn mijn tatoeages ook een soort van verwerking en het is nou eenmaal een belangrijk onderdeel van mijn leven.’

Mijn tatoeages zijn een soort van verwerking

‘Dat ik de begeleider kon zijn van Generaal Ted Meines (Medeoprichter en erevoorzitter van de Stichting Veteranen Platform. Overleden in 2016. Red.) heeft m’n herstel ontzettend geholpen. Hij was als een vader voor mij. Zijn overlijden heeft mij ook heel veel pijn gedaan. Ik heb zoveel van hem geleerd. Die man stond altijd voor iedereen klaar. Al helemaal voor de veteranen, en dus ook voor mij. Hij woonde bij mij in de buurt en ik was een paar keer op de koffie geweest. Op een zeker moment besloten hij en zijn dochter mij te bellen en te vragen of ik hem wilde gaan begeleiden, uiteraard wilde ik dit heel graag doen en heb een bijzonder mooie tijd met hem beleefd.  We hebben vele gelegenheden bezocht en bijzondere mensen ontmoet en gesproken waaronder Prinses Beatrix.’

De waardering vanuit de maatschappij voelen we wel, maar die mag vaker worden omgezet in actie

‘Ik probeer mijzelf, net als de Generaal, in te zetten voor veteranen. Voor mij is dat toch een soort verwerking. Zo is het mij gelukt om ervoor te zorgen dat voetbalclub ADO Den Haag elk jaar 50 kaartjes beschikbaar stelt voor veteranen. Namen van verschillende veteranenverenigingen worden omgeroepen door de stadionspeaker, en ook worden er verschillende foto’s getoond, gaan we met ongeveer twaalf veteranen het veld op in de rust en maken dan een foto met de mascotte. Dat is fantastisch. Die zichtbaarheid en waardering is zo ontzettend belangrijk, een beetje zoals het in Amerika gaat, maar dan in het klein. Daar kunnen we in Nederland nog veel van leren. Het zou mooi zijn als er meer maatschappelijke waardering zou zijn, niet alleen tijdens Veteranendag, maar ook daarbuiten.’

Een relatief klein gebaar en betekent voor veel veteranen en hun gezin heel erg veel

‘Ik heb bijvoorbeeld PTSS, en door de medicijnen wordt mijn reactiesnelheid beïnvloed waardoor ik moeilijkheden heb met autorijden en dit geld niet alleen voor mij. Het zou bijvoorbeeld een mooi gebaar zijn als er korting zou zijn voor het openbaar vervoer. Of stel dat een nationaal symbool als de Efteling een paar keer per jaar gratis kaarten weggeeft? Dat is voor hen een relatief klein gebaar en betekent voor veel veteranen en hun gezin heel erg veel. Dat zou heel mooi zijn. De waardering vanuit de maatschappij voelen we wel, maar die mag vaker worden omgezet in actie. Dat is wat mij betreft de volgende stap.’