‘Dat ik er nog ben, is echt een godswonder’

Naam
Robert Konter
Missie
Sinaï [1992]
Publicatiedatum
8 december 2021

Het standaardbeeld van veteranen: oude, grijze mannen met een stok, een blauw pak en een rits medailles. Robert Konter (1962) voelt er niet veel voor om op die manier voor de dag te komen. Hij vindt het vooral belangrijk om tijdens bijeenkomsten met andere veteranen aandacht te besteden aan saamhorigheid, daar draagt die officiële kleding niet aan bij. Robert woont in Losser, diep in Twente. Daar zet hij zich al jaren actief in als veteraan voor de andere veteranen, hij werkt bij defensie én is Invictus sporter als handbiker en zitvolleyballer.

Tijdens de missie in de Sinaï in 1992, waar Robert naartoe was uitgezonden, was hij in de bloei van zijn leven. Net 30 jaar oud, pas getrouwd, stond hij aan het begin van een veelbelovende militaire carrière. ‘Ik wilde graag carrière maken en internationaal werken en daarbij hoort op missie gaan. In mijn functie als kapitein van de verbindingsdienst was de MFO Sinaï op dat moment de enige plek waar ik terecht kon, dus wilde ik heel graag die kant op. Als verbindelaar zorg je voor de communicatie. In de Sinaï moesten honderden kilometers overbrugd worden en in 1992 waren er geen mobieltjes, satelliettelefoons of internet. Het moest allemaal via ouderwetse radioverbindingen. We deden heel veel technisch werk. Ik was commandant staf-Cie en zou een half jaar blijven, maar al na 2 maanden kwam de missie voor mij tot een vreselijk einde.’

‘We reisden veel tussen de verschillende gebieden, Tel Aviv, Jeruzalem, Caïro. Op een gegeven moment had ik personeel op bezoek uit Den Haag die ik moest begeleiden naar het zo genaamde zuidkamp in Sharm-El-Sheik. Toen gebeurde het: midden in de Sinaï, tijdens een rustpunt en naast een groot mijnenveld reed er een vrachtwagen op mij in. Het was een gigantisch brede weg, met een berm van een meter of 4 en ik stond in die berm te filmen. Ik stond ongeveer 30 meter van de bus vandaan, als eenling, de rest van de groep stond dichterbij de auto. De vrachtwagen die aan kwam rijden, reed recht op mij in. Toen hij mij raakte, ging het licht uit. Het was gewoon een aanslag. Ik raakte levensgevaarlijk gewond…’

‘Toentertijd waren er geen mobieltjes, geen satelliettelefoons… Er moest via de radio aan boord van de auto contact gelegd worden om hulp op te roepen. Dit ging extreem moeizaam en ondertussen viel ik steeds weg, steeds sneller achter elkaar. Een bevriende NL-Liasion van mij had op dat moment dienst, en hij is uiteindelijk bereikt. De ambulance die zij op pad stuurden kreeg een lekke band, waarna er besloten werd toch te gaan vliegen. Ondanks tegenstribbelen van de Amerikanen, omdat ze nog geen weerbericht hadden gekregen die dag, heeft de commander MFO (Multinational Force and Observers), Luitenant-generaal van Ginkel, ervoor gezorgd dat de helikopter kon vertrekken. De dienstdoende arts, ironisch genoeg mijn beste maatje op het hoofdkwartier, die onderweg was naar mij wist niet dat ik het was die zo zwaargewond was. Mijn naam was verbasterd geraakt door de Columbianen tijdens de moeizame communicatie met het hoofdkwartier. Toen de helikopter eindelijk arriveerde was ik er zo slecht aan toe dat er geen bloed geprikt meer kon worden, ik was praktisch leeggebloed. Uiteindelijk in het ziekenhuis in Eilat bleek dat mijn vrouw zo snel mogelijk uit Nederland moest komen, want afgerond naar boven had ik een overlevingspercentage van 10%. Dat ik er nog ben is echt een godswonder. Mijn been was verbrijzeld, mijn nier was afgescheurd, ik had meerdere inwendige bloedingen, mijn rechterlong was helemaal doorboord door 8 gebroken ribben die dwars door de long heen gingen, mijn heup was helemaal kapot en ik heb er zenuwbeschadigingen in mijn arm en hand overgehouden. Mijn vrouw is toen halsoverkop, via allerlei ingewikkelde manieren, naar mij in het ziekenhuis in Eilat gekomen. Zij konden haar de hele reis niet vertellen of ik nog leefde.’

‘De man die mij heeft aangereden is uiteindelijk opgepakt. Hij verklaarde dat ik de weg op liep, maar helaas voor hem: ik heb de aanslag gefilmd. Die beelden heb ik pas kortgeleden voor het eerst teruggekeken, ik vond het tot die tijd te heftig om te zien. Ik wilde die man voor het gerecht slepen en uiteindelijk ben ik zover gegaan dat ik een advocaat nodig had om hem aan te klagen. Dat was een heel zwaar en moeilijk proces. Ik realiseerde me toen dat ik twee mogelijkheden had: óf ik laat het, óf ik breng hem naar Nederland voor het Internationaal Tribunaal. Dat tweede is een gigantisch proces waar je een aantal jaar fulltime mee bezig bent. Ik dacht bij mezelf: “En dan…?” Toen heb ik voor mezelf de keuze gemaakt dat ik het ging laten rusten.’

[Achterbanier, jaargang 15 – nummer 4 – april 1993]

‘Vanaf dat moment heb ik mijn aandacht alleen nog gevestigd op dingen waar ik zelf aandacht en energie in wil steken. Ik heb vrij snel na het ongeluk, samen met mijn vrouw, besloten dat ik écht beter zou gaan worden. Vanaf dat moment is bij mij de knop omgegaan, sindsdien wilde ik alleen nog maar positief denken. In plaats van te kijken naar wat je niet meer kunt wil ik mij richten op dat wat je nog wel kunt. Als ik mensen kan helpen om dingen in hun leven beter te krijgen, dan doe ik dat. Ook al heb ik er maar 1 geholpen, dan is mijn doel bereikt. Daarom zet ik me nu ook graag in voor de gemeenschap, zodat mensen weten wat er speelt bij veteranen. Want zoals Stef Bos zo mooi zingt: “Een veteraan herken je niet”.

‘We hebben de stichting Veteranen Losser opgericht, met vooral veel luchtmacht veteranen. We zijn nu écht een vast onderdeel bij de 4-5 mei vieringen binnen de gemeente. We hebben hier een oorlogsmonument, een mooi monument maar het  raakte een aantal jaren geleden helemaal overwoekerd. Ik vond dat niet kunnen dus ben ik in de pen geklommen naar de burgemeester. Alles is toen gesnoeid en opgeknapt en het wordt tegenwoordig keurig bijgehouden. Daar ben ik heel blij om! Nu is het ons plan om hier ook een Witte Anjerperkje aan te laten leggen. En we proberen de jonge veteranen ook steeds meer te betrekken bij dit soort gebeurtenissen.’

‘Voor de aanslag was judo mijn sport en toen mijn been in 2015 werd geamputeerd heb ik dat weer opgepakt. Maar deze sport is helaas geen onderdeel van de Invictus Games. Omdat ik zo graag wil laten zien dat je als mindervalide sporter, en niet piepjong, nog best dingen kunt bereiken en veel inzet kunt hebben voor hetgeen je doet, doe ik mee met het handbiken en zitvolleybal. Om ook weer duidelijk te maken aan de gemeenschap: “Je bent niet afgeschreven. Ook al mis je een been en kun je niet alles zoals een ander, wil niet zeggen dat je niks meer kunt.” Dát is mijn grote drijfveer om mee te doen aan de Invictus Games, en om voor mezelf een uitdaging te hebben! Sinds 2019 ben ik lid van het IG-team, en toen kwam corona waardoor de Games tot twee keer toe werden afgeblazen. Nu heel hard hopen dat de games in april 2022 in Den Haag eindelijk door kunnen gaan!’