Mee Op Missie met Mandy Heeren: "Ik kon niet terug naar mijn oude leven, dat ging gewoon niet meer"
Mandy Heeren (1991) is actief dienend militair en veteraan bij de Koninklijke Landmacht. Mandy is op uitzending geweest naar Irak en Zuid-Libanon en op kortere werkbezoeken naar Afghanistan, Mali en Litouwen. Haar meest recente uitzending van 13 maanden naar Zuid-Libanon is het meest in het oog springende, waar Mandy als enige Nederlandse militair deel uitmaakte van UNIFIL. Over die periode schreef Mandy het boek Blauwe Scherven, met als ondertitel: hoe houd je als vrouw stand in oorlogsgeweld?
Van cosmeticamarketing naar de militaire academie
Mandy komt uit een echt militair nest. Haar opa diende, haar vader diende, en ook haar broer en schoonzus zitten bij Defensie. Zelf wilde ze daar aanvankelijk juist niet aan: ze studeerde en werkte in de burgermaatschappij, in marketing en pr in de cosmetica-industrie. Tot ze na het schrijven van een aantal persteksten dacht: ik probeer het gewoon een keer, en als het niks is, stap ik er weer uit. Dat is elf jaar geleden. Ze deed toelatingstesten voor de Koninklijke Militaite Academie (KMA) in Breda, de opleiding tot officier en werd toegelaten.
Of de defensie-wereld en de KMA voor een vrouw moeilijker was, vindt ze zelf niet per se. “Ik heb dat zelf niet als lastig ervaren, ik heb het gevoel dat ik gewoon heb meegespeeld met de rest.” Wel merkte ze, elf jaar geleden, dat ze zich als jonge vrouw aanpaste: iets harder, iets stoerder, iets mannelijker dan ze eigenlijk was, om niet onder te doen voor de mannen om haar heen. “Nu zou ik dat niet meer zo snel doen. Ik heb geleerd dat het niet uitmaakt. Als je gewoon jezelf blijft, sta je het sterkst in je schoenen. Ook al oog je dan misschien minder stoer dan mensen soms verwachten. Van binnen ben je het wel, en dat is oké.”
Vijftig broers in Irak
Haar eerste uitzending kwam sneller dan verwacht. Nog geen half jaar na de KMA en de daaropvolgende vaktechnische opleiding werd ze bij haar commandant geroepen: over vijf weken ging ze op uitzending naar Irak, ‘aangeklikt’ bij de Luchtmobiele Brigade. Ze viel in voor iemand die was uitgevallen en miste daardoor het opwerktraject waarin een eenheid elkaar leert kennen en klaar wordt gestoomd voor de uitzending. Ze kende dus niemand toen ze een paar weken later instapte. Ook was ze een van de weinige vrouwen tussen vijftig mannen.
Wat is blijven hangen, is de band met de mensen met wie ze samen was uitgezonden. “Ik sprak vanmorgen toevallig nog iemand hier op de kazerne met wie ik op die missie ging. “Vijftig kerels die op een gegeven moment een soort broers werden. Hoe je dat samen opbouwt, dat is gewoon heel bijzonder.”
In haar eentje naar Zuid-Libanon
Waar Irak een ‘klassieke’ uitzending was, stond Mandy er in Zuid-Libanon helemaal alleen voor: als enige Nederlandse militair binnen UNIFIL, een missie van meer dan tienduizend militairen uit zo’n vijftig landen. “Het maakt nogal wat uit of je ergens individueel naartoe gaat, of met een groep. Als je met andere Nederlanders bent, kun je altijd terugvallen op je eigen taal, dezelfde grappen, een stukje thuis dichtbij. En ik heb het idee dat je met een grotere groep ook meer gehoord wordt, dan wanneer je alleen bent.” Ook de voorbereiding was anders: waar een groepsuitzending een klassikale opleiding kent, kreeg zij één-op-één les. “Dan mis je een beetje die spanning van het samen opwerken naar zo’n uitzending.”
Binnen de missie was zij Senior National Representative namens Nederland: ze vertegenwoordigde Nederland internationaal, ook richting de ambassade. “Je bent een soort spin in het web. Je loopt daar rond als de Nederlandse vlag. Alles wat je doet, doe je niet alleen voor jezelf, maar voor Nederland.” Daarnaast had ze een eigen functie binnen de VN-missie en schreef ze wekelijkse landenrapportages: de ogen en oren van Nederland in het gebied.
Van rustig gebied naar oorlogsgebied
Toen Mandy aan haar uitzending begon, was het al onrustig. Naarmate de dertien maanden vorderden, liep de spanning steeds verder op, tot de laatste maanden ronduit intens werden. “We hebben periodes gehad waarin basale dingen niet meer vanzelfsprekend waren: eten, water, je eigen veiligheid. We zijn zelf vaak aangevallen. Je verliest je verbindingen, dus je raakt behoorlijk geïsoleerd.” Ze keerde eind december 2024 terug, op het randje: het gebied was lange tijd afgesloten en collega’s die er in oktober al uit hadden moeten zijn, zaten in december nog steeds vast.
De terugreis zelf zette al veel op zijn kop. Gepantserd rijdend door dorpen waar ze eerder nog levendige markten had gezien, lagen nu oorlogsslachtoffers langs de weg terwijl mensen aan het opruimen waren. Ze stopte een paar dagen in Beiroet, in de veronderstelling dat ze daar even tot rust zou komen. “Dat werkte gewoon niet. Ik had zo’n knoop in mijn maag dat ik denk dat ik twee dagen op bed heb gelegen.” Twee dagen later zat ze aan het kerstdiner in Nederland. “Zo’n omschakeling tussen die uitersten is best heftig.”
In haar boek Blauwe Scherven schrijft ze: “Ik keerde niet terug naar mijn oude leven, dat kon niet meer. Mijn kijk op de wereld is veranderd, mijn prioriteiten zijn verschoven, en de antwoorden op de vragen die ik had over wat belangrijk is in het leven, blijven me altijd bij.” Bij aanvang van de missie was de veiligste plek nog in de bunker. Later vulden diezelfde bunkers zich met wit gas dat direct de longen en ogen aantastte, en waren er nachten dat ze er letterlijk uitgerookt werden. “Dan ren je naar buiten en zie je overal paddenstoelwolken. Je krijgt tussendoor telefoontjes dat het kamp beschadigd is en dat collega’s gewond zijn geraakt. “Er was nergens een schuilplaats echt veilig: wapen bij de hand, tas met waardevolle spullen altijd klaar, voor het geval het mis zou gaan.”
Op een gegeven moment schoot een Israëlische tank twee mensen van een uitkijktoren af op het VN-kamp. Mandy voelde zich onderdeel worden van het conflict. Een van de hoogste IDF-commandanten had de commandant van de VN-missie op dat moment al een brief gestuurd met het dringende verzoek de posities te verlaten, met de waarschuwing dat het anders mis zou gaan. Ze bleven zitten. Alleen al in oktober werden ze meer dan dertig keer aangevallen; kogels floten dwars over het kamp, luchtaanvallen bliezen alle ramen eruit.
Tijdens de heftigste periode deed Mandy een aantal media-optredens namens de VN, en vertelde eerlijk dat ze werden aangevallen door de IDF. Ze twijfelde lang of ze dat zou doen, maar had niet het idee dat men in Nederland goed begreep hoe intens de situatie daar was. De reacties op social media die volgden, waren niet mals.
Ook persoonlijk werd ze doelwit: een drone die haar volgde, urenlang boven haar hoofd zoemend. Ze leerde in die maanden verschillen in geluid te onderscheiden: luchtaanvallen, tankvuur, helikopters en schepen die vuurden. “De hele bingokaart wel zo’n beetje.” Maar een dronegeluid blijft het engst, omdat je weet waartoe zo’n ding in staat is. “Dan loop je constant na te denken: als er nu iets gebeurt, waar kan ik dan schuilen? En het antwoord is: nergens.”
De scooter van Hezbollah
Een van de heftigste momenten speelde zich af op de terugweg van een opdracht aan de andere kant van het missiegebied. De heenreis ging door rustige dorpjes, kinderen speelden buiten, het voelde bijna normaal. Op de terugweg, over dezelfde route, waren de straten leeg, maar stonden de fietsjes van de kinderen er nog. Een vreemd gevoel: alsof de bewoners al wisten dat er iets zou gebeuren. De Franse collega’s naast haar in het gepantserde voertuig fluisterden tegen elkaar dat het niet goed voelde.
Een man siste iets naar hen, ze reden door, een tweede man deed hetzelfde. Toen kwam er een scooter voor het voertuig rijden, bestuurd door een man met een groot wapen op zijn rug. Hij stapte af, kwam naar de zijkant van hun voertuig en begon in het Arabisch te schreeuwen, een bekende tactiek om het gesprek te rekken en tijd te winnen. Binnen enkele seconden kwamen er van alle kanten meer gewapende mannen bij: Hezbollah-strijders. De Franse chauffeur probeerde het portier dicht te houden en riep dat ze meteen weg zouden rijden, maar de man wrong zijn schouder tussen de deur. Uiteindelijk lukte het de deur dicht te duwen, de man viel achterover, de scooter kantelde, en ze reden weg, nog een tijd gevolgd door de scooters, terug naar het VN-kamp.
Achteraf bleek dat Hezbollah op dat exacte moment op het punt stond een raketaanval op Israël uit te voeren, en dat het wantrouwen naar VN’ers soms voortkwam uit het idee dat ze spionnen voor Israël zouden zijn. Die spanning stond nooit los van de rest van de wereld. Als de politiek in het Westen zich uitsprak tegen Hamas, voelden ze dat direct terug in het gebied. Gaza en Libanon liepen wat dat betreft volledig parallel.
De dierenopvang
Ondanks alles heeft Mandy nooit het gevoel gehad dat wat ze daar deed zinloos was. Ze reed door dorpen en sprak met mensen die net als ieder ander gewoon een normaal leven wilden: naar het werk, de kinderen naar school. Kinderen kwamen op de VN-militairen af met de boodschap: fijn dat jullie er zijn, geen boom boom.
Bij het hoofdkwartier van UNIFIL was een dierenopvang, normaal gerund door lokale medewerkers en burgers van het kamp. Toen die door de onveilige situatie werden geëvacueerd, nam een klein groepje militairen, onder wie Mandy, de zorg voor de dieren over. Steeds meer gewonde dieren kwamen binnen, op momenten dat ze zelf amper naar buiten konden en veel tijd in de bunkers doorbrachten. Die zorg gaf haar een doel te midden van alle ellende. “Het geeft je een stukje menselijkheid terug.” De dieren zochten juist de voorkant van het kamp op, de plek waar nog mensen waren. “Iets heel kleins misschien, maar ook iets heel echts, waar je wél invloed op hebt.” In haar isolatie, met nauwelijks nog contact met Nederland, hielp de zorg voor de dieren haar minstens zoveel als andersom.
Terugkeer, Blauwe Scherven en het gewicht van Schiphol
Alleen zijn betekende ook alleen de rapportages doen en naar Den Haag sturen, (te) vaak slechts beantwoord met KVO (kennisgeving van ontvangst). “Je bent nog steeds een mens. Je bent militair, maar ook mens, en je rapporteert soms de ergste dingen.” Ook fysieke zaken moest ze zelf afhandelen, tot aan het dilemma of ze een taxichauffeur zou inhuren om drinkwater te kopen buiten het kamp. In het moment zelf was daar geen ruimte voor twijfel: overleven ging voor. Pas achteraf, thuis, kwamen de vragen. Zo reed ze eens ongepantserd door een oorlogsgebied om bij een collega verlopen rantsoenen op te halen, omdat ze zelf niets meer had. “Ik ben blij dat ik dat gedaan heb, want anders had ik de laatste maanden geen eten gehad.” Maar er blijven ook momenten van twijfel achteraf, een soort schuldgevoel over beslissingen die ze in overlevingsmodus nam.
Het boek en de media-optredens leverden naast positieve, ook negatieve reacties op. Spijt heeft ze niet. “Ik kan mezelf aan het eind van de dag in de spiegel aankijken. Dat is voor mij het belangrijkste.” Ze hield het boek bewust feitelijk en beschreef alleen de incidenten die toch al in het nieuws waren geweest, om haar eigen inschattingsvermogen, oprechtheid en geloofwaardigheid niet in twijfel te trekken.
Zou ze terug willen naar Zuid-Libanon? Zonder aarzelen. “Als je daar het verschil kan maken, dan zou ik het doen.” Over de vorm van die bijdrage, militair, humanitair of diplomatiek, denkt ze nog na.
Haar opa, die maar liefst vier jaar werd uitgezonden naar voormalig Nederlands-Indië, overleed vroeg in haar uitzendperiode, terwijl zij in Libanon zat. In zijn laatste levensjaren vertelde hij steeds hetzelfde verhaal: over een handgranaat die te dichtbij werd gegooid, en over de bootreis terug naar Nederland, weken lang, waarbij bij aankomst niemand op de kade stond om hem de hand te schudden of welkom te heten. Toen Mandy zelf op Schiphol landde, uitgeput en na maanden die veel van haar lichaam hadden gevraagd, stond daar ook niemand. Op dat moment voelde ze in haar kern wat haar opa al die jaren had bedoeld. “Ik snapte toen ineens, ook al was hij vergeten wat hij die ochtend had ontbeten, waarom dat verhaal zo diep in hem zat. Ik snap het nu.”
In die dertien maanden Zuid-Libanon kwam ze drie keer terug naar Nederland: voor de begrafenis van haar opa, om haar huis leeg te halen en te verkopen na een relatiebreuk, en toen haar vader een hartoperatie moest ondergaan. Het schakelen tussen die twee werelden, ’s ochtends nog in het oorlogsgebied, ’s avonds aan het bed van haar vader, noemt ze het moeilijkste en eenzaamste onderdeel van de hele uitzending, met een schuldgevoel dat nooit helemaal weggaat.
Het gesprek eindigt bij een nummer dat haar sindsdien is bijgebleven: I’m Not Who I Was van Chase Pena. Het gaat over precies dat gevoel van tussen twee werelden leven, zegt ze. “Nu is het andersom: nu voel ik mij schuldig tov de mensen in Zuid-Libanon die ik achter heb gelaten. Soms voelt het alsof ik in een soort grijs tussengebied leef. Wat is eigenlijk thuis dan nog?”