Mee Op Missie met Ivora Noort: “Je wordt iedere keer een nieuwe versie van jezelf”
Ze wilde marinier worden, maar mocht niet. Ze wilde op uitzending maar moest wachten. Toch heeft Ivora Noort haar weg bij Defensie gevonden, eerst opgeleid tot voorwaartse waarnemer, als pelotonscommandant in Afghanistan, later als military gender advisor, nu als protocolofficier van de Commandant der Strijdkrachten. Ze vertelt over het leven op pad en het leven als thuisfront, en hoe het is om na elke uitzending met een nieuwe versie van jezelf naar huis te komen.
Nee hoor, meissie, dit ga jij niet doen
Een carrière bij de landmacht was eigenlijk niet wat ze voor ogen had. Ivora wilde namelijk heel graag bij het Korps Mariniers. Ze had zich grondig voorbereid, de eisen opgezocht, de startdata, de selectieprocedure. Haar vader werkte bij de Koninklijke Marine, en had haar van jongs af aan geïnspireerd. Op een banenmarkt op school liep ze recht op de stand van de mariniers af. De man die er stond was vriendelijk en gaf haar van alles mee, maar toen ze zei dat ze dat ze zich graag zou aanmelden zei hij: “Nee hoor, meissie, dit ga jij niet doen.” Vrouwen mochten toen niet bij het Korps Mariniers. Ze bleef de hele avond staan om te bediscussiëren wat er dan precies niet kon en waarom, maar ze liep vast. Wat haar had aangesproken was “de totaliteit van wat je er van jezelf in kwijt kunt.”
Na die avond wist ze niet goed wat ze dan moest. Ze begon aan een studie commerciële economie, had in allerlei branches baantjes via uitzendbureaus, maar was eigenlijk niet gelukkig. Door de teleurstelling van de banenmarkt had ze Defensie helemaal afgezworen. Het was pas op een familiedag op het marine-opleidingsschip de Zr. Ms. Urania dat een gesprek met een bemanningslid haar op andere gedachten bracht: hij vroeg waarom ze bij het Korps Mariniers had gewild, luisterde naar haar antwoord, en zei toen dat alles wat ze had opgesomd ook elders bij Defensie te vinden was. Ga gewoon kijken, zei hij.
Stiekem naar de KMA
Ze ging kijken, maar zo stiekem dat ze thuis niets zei, en haar vader pas de avond voor haar opkomst vertelde dat ze ging beginnen aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Pas nadat ze hem om een attribuut vroeg dat ze nog miste van haar paklijst en hij vroeg waarvoor ze dat nodig had, vertelde ze hem: “Ik ga de KMA doen, pap”. Hij dacht dat ze een grap maakte. Ivora was teleurgesteld in zichzelf geweest en had eerst alles zelf willen uitzoeken voordat ze het vertelde, vertelt ze nu. Nu ze zelf drie kinderen heeft, zegt ze:
‘Ik moet er niet aan denken dat mijn kinderen dit uithalen met me.’
Op de KMA koos ze voor de veldartillerie, en werd opgeleid tot voorwaartse waarnemer, wat betekende dat ze aan allerlei soorten eenheden kon worden vastgeplakt. Vooral lekker ver van een bureau, betrokken bij de actie, wat precies was wat ze wilde. Maar de academie was niet meteen een thuiskomst. Ze was een jonge vrouw uit Den Haag, van kleur, op een academie die daar nog niet op was ingericht. Ze kreeg er opmerkingen over, ook van een instructeur. “Het is heel moeilijk om je daartegen te wapenen wanneer je in de positie van cadet zit,” zegt ze, “want je loopt niet voorop met je kennis, niet fysiek, niet met je achtergrond.” De tijd was ook anders, zegt ze. Er was veel minder maatschappelijk debat over diversiteit dan nu. “Die dialoog is veel meer op gang gekomen, en ik denk dat dat heel erg een verschil maakt.”
Lobbyen voor Afghanistan
Na de KMA miste ze haar eerste kans op uitzending omdat haar eenheid net was vertrokken naar Afghanistan op het moment dat ze binnenkwam. Ze baalde daar flink van, lobbyde vervolgens bij elke eenheid in het zuiden van het land en bood zichzelf aan als voorwaartse waarnemer, en stapte uiteindelijk naar de Brigade-personeelsfunctionaris om het rechtstreeks te zeggen: ik ben opgeleid, ik ben getraind, ik wil op uitzending. “Dat was ook gewoon waarvoor je naar Defensie ging”, zegt ze. De Afghanistan-uitzendingen waren in volle gang tijdens haar opleiding, haar instructeurs van de vaktechnische opleiding hadden haar er met passie en overtuiging op voorbereid. Uiteindelijk ging ze naar Afghanistan.
Op haar tweede uitzending zag ze op een ochtend een Afghaanse jongen in de afvalcontainers van het kamp graaien. Hij werkte er, ze hadden elkaar eerder gezien, maar dit was hun eerste ontmoeting geweest. “Dat doet verschillende dingen met je. Aan de ene kant roept het verdriet bij je op, want zo hoort een mens er niet aan toe te zijn. Aan de andere kant zit je ook in een militaire context, waarin je weet dat ook uit afval informatie gehaald kan worden.” Ze sprak hem erop aan. Ze leerden elkaar kennen. Op een gegeven moment gaf hij haar een tekening, met een boom, mensen en bloemen, van hoe Afghanistan eruit zou zien als ISAF deed wat het moest doen, gemaakt op een stuk karton van een UNICEF-levering. Ze heeft het nog steeds.
In zo’n context zie je de impact van een uniform. Ze vertelt dat het verschil tussen man en vrouw in Afghanistan anders is dan in Nederland. Het uniform maakte dat ze niet werd benaderd als man, maar ook niet als vrouw:
‘En dan heb je dat pak, en dat zorgt dat je er eigenlijk tussenin zit, dat je een andere categorie wordt.’
Nieuwe rollen
Na haar tijd in Afghanistan werkte ze ook als Gender Advisor, onder andere aan de uitvoering van een VN-Veiligheidsraad resolutie die opriep tot gerichte aandacht voor de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes in crisis en conflict. Ze moest die rol regelmatig uitleggen omdat het woord gender al vooroordelen opriep nog voordat ze iets erover had gezegd. Mensen plakten daar meteen een betekenis aan, terwijl het in de kern voor haar een analytische militaire bril is: “Wat is de impact van deze situatie op mannen, vrouwen, jongens en meisjes apart, welke veiligheid ontberen welke mensen, en wat heb je nodig om die veiligheid te garanderen?”
Nu is ze protocolofficier van de Commandant der Strijdkrachten en houdt ze zich bezig met alle ceremoniële en protocollaire aspecten van zijn werk als de hoogste militair van Nederland. Zo bedenkt ze bijvoorbeeld welk militair ceremonieel gepast is. maar ook welk tenue hij draagt bij welke gelegenheid. Zelf zit ze vandaag in haar vlekkenpak. Het maakt haar streng, vindt ze. Maar het is ook belangrijk voor haar. Ze heeft de waarde ervan zelf meegemaakt, zoals in haar contact met de jongen in Afghanistan.
Thuisfront én militair
Ze kent niet alleen het leven op pad tijdens een missie, maar ook het leven als thuisfront. Haar man is ook militair, ze hebben samen drie kinderen, ze heeft beide kanten meegemaakt. “Ik vind op uitzending gaan veel leuker dan thuisfront zijn. Als je op uitzending gaat, maak je het mee van minuut tot minuut. Thuis ken je het gebied niet, de dreiging niet, je kent de situatie waar je partner in zit niet.” Ze benoemt ook dat de impact van een uitzending zich niet beperkt tot de uitzendperiode zelf. “Er is de uitzending voor de uitzending, de uitzending zelf, en de uitzending na de uitzending. Het thuisfront vangt die klappen op, die merken dat als allereerste.” Iets verandert in de stem, iets in de houding, en het thuisfront is de eerste sensor.
‘Je wordt nooit de oude, je wordt de nieuwe. Of je een goede uitzending hebt of een slechte uitzending, je wordt iedere keer een nieuwe versie van jezelf.’