Mee Op Missie met Luuk & Dennis: "Als we gaan, dan gaan we met z’n allen"
Luuk Elshout en Dennis van Esch waren zeventien toen ze bij Defensie begonnen. Te jong, zou je kunnen zeggen. Maar voor hen voelde het logisch. Ze zochten geen heldendom, maar eerder structuur en samenwerking. Een plek waar je niet hoefde uit te leggen wie je was, maar kon laten zien wat je kon. Dennis verwoordt het nuchter: “Ik zeg altijd dat ik militair werd omdat ik verder niks kon. Maar eigenlijk hield ik van sporten en samenwerken.” Luuk herkent het onmiddellijk: “Ik kon niet stilzitten. Ik had structuur nodig. En toen ik met Defensie in aanraking kwam, wist ik: dit past.”
Ze komen allebei bij de Koninklijke Landmacht terecht. Niet omdat het het ‘hardste’ is, maar omdat het helder is. Omdat je er leert functioneren in een team en omdat je er, anders dan in veel andere levens, niet alleen traint. Maar uiteindelijk ook de wedstrijd mag spelen, op uitzending mag gaan.
Jong de wereld in
Luuk gaat als achttienjarige naar Irak. Zijn vrienden zitten dan nog op school. Hij rijdt langs kapotgeschoten voertuigen en ziet daar de grote wereld in haar rauwste vorm. “Irak voelde dreigend,” zegt hij. “Alsof je in het donker een trap afloopt en elk moment iemand je bij je enkels kan grijpen. Maar het gebeurt nooit. ”Die voortdurende spanning zonder ontlading vreet je van binnen op. Je raakt gewend aan een werkelijkheid die eigenlijk niet normaal is.
Dennis gaat voor het eerst naar Afghanistan in 2007. Hij is negentien als hij terugkomt. “Je vrienden denken anders over het leven dan jij, over wat belangrijk is en wat niet,” zegt hij. “Iedereen is vooral met zichzelf bezig.” Zijn eerste uitzending is heftig. Er vinden veel vuurgevechten plaats en er is veel direct, dreigend contact met de Taliban.” De Taliban opereert anders dan bij zijn volgende uitzending: zichtbaarder, confronterender. Dennis praat er nuchter over: “ Op het moment zelf volg je je drills. De stress komt later pas.”
Romeo-groep
In 2009 komen Luuk en Dennis samen in dezelfde eenheid. De Romeo-groep bestaat uit negen mannen. Uit Brabant, Limburg, Den Haag en Arnhem. Allemaal met verschillende achtergronden, maar samen vormen ze wel één team.
Luuk is groepscommandant en nauwelijks ouder dan de mannen die hij aanstuurt. “Ze keken op naar mij,” zegt hij. “Niet omdat ik alles wist, maar eerder omdat ik ze begreep.” Hij betrekt ze bij de beslissingen die hij neemt. Geeft hen verantwoordelijkheid en vertrouwt op hun gevechtservaring. Dennis en zijn maat Rick, die beiden al op uitzending zijn geweest, worden de pilaren in de groep. “Als zij mij draagvlak gaven,” zegt Luuk, “dan volgde de rest vanzelf.” De groep ontwikkelt zich en vertrouwt elkaar, ze raken op elkaar ingespeeld. Misschien zelfs iets wat gevaarlijk dicht bij onoverwinnelijkheid komt. Later zeggen ze zelf dat er iets van normvervaging optreedt. Het gevoel dat alles kan, dat een scherfvest soms uitblijft en een helm niet wordt opgezet en dat risico’s anders worden gewogen.
20 juni 2009
Op zondagochtend 20 juni gaat rond half acht het alarm. Franse militairen zijn in een nabij gelegen vallei op een bermbom gereden. Er is een gewonde en de vraag is eenvoudig: kunnen jullie de Fransen ontzetten? Normaal rijdt een zwaar gepantserde Bushmaster voorop. Die ochtend niet en er moet geïmproviseerd worden. De Romeo-groep rijdt voorop in een lichter voertui en Luuk maakt een snelle risicoanalyse. Veiligheid kost tijd en die heeft de gewonde Fransman misschien niet. Dus kiest Luuk voor snelheid.
‘“Plankgas, we gaan"’
Ze rijden een gebied in waarvan ze weten dat er veel bermbommen liggen. Het onderbuikgevoel is er. Dennis begint te zingen. Zwarte humor als vorm van ontlading. “Als we gaan, dan gaan we met z’n allen.” Een carnavalskraker zingen om de spanning te kunnen relativeren.
De ontzetting lukt. Ze betrekken een stelling en beveiligen een gevonden bermbom. De Taliban-communicatie neemt toe en de Apache-helikopters arriveren. De mortieren worden in stelling gebracht en een vuurgevecht hangt in de lucht, zonder dat het volledig losbarst.
Dan komt een nieuwe opdracht: een vermeende bommenmaker uitschakelen. Luuk trekt zich met Dennis en Rick terug om een plan te maken. Net als zij de man willen uitschakelen, stuurt hij zijn kinderen naar buiten.
“Dan kom je in een ethisch dilemma,” zegt Luuk. “Dit doen we niet.” Ze kiezen voor terugtrekken. Achterwaarts. Een plek zoeken met beter zicht.
En dan ontploft de bermbom.
Stilte
Luuk herinnert zich stilte. Licht. Een enrom suizen en dan de gedachte: ik ben dood. Dan zijn hartslag. Zijn ademhaling. Hij ziet bloed op zijn handen. Probeert te staan, maar dat lukt niet. En dan schakelt hij om, terug naar commandant en vol in de actiemodus. Hij ziet chaos. Dennis en Rick zijn zwaargewond. De verbindingen liggen eruit. Er wordt geschreeuwd en iedereen handelt. Wat duizenden keren is getraind, werkt. Er is georganiseerde chaos. Binnen twintig minuten liggen de gewonden in een helikopter. Dennis weet van niets en ligt uiteindelijk negen weken in coma. Bij de explosie verliest hij beide benen. Niet in één klap zichtbaar, maar onontkoombaar in de medische realiteit die volgt. “Van die hele ziekenhuisperiode weet ik maandenlang niets,” zegt hij. “Ik sliep. Ik was weg.”
Luuk blijft bij bewustzijn en keert al snel terug naar het inzetgebied. Later besluit hij naar Nederland te gaan. Hij wil naar Dennis toe en naar de ouders van zijn gewond geraakte mannen om te kunnen vertellen wat er is gebeurd.“Ik voelde me verantwoordelijk,” zegt hij. “Niet schuldig. Ik heb die bom niet gelegd. Maar ik heb wel keuzes gemaakt.”
Leven daarna
Dennis moet opnieuw leren leven. Eerst is er de verdoving, letterlijk en figuurlijk. Maanden later loopt zijn relatie op de klippen en is er veel boosheid en verdriet, gevolgd door de vraag:wat nu? “Ik dacht: ik wil ooit weer een nieuw leven,” zegt hij. “En toen ben ik dat negatieve gaan gebruiken om er iets positiefs van te maken.” Hij gaat sporten en doet mee aan de Invictus Games. Hij gaat aan de slag bij de sportgroep van Defensie en zit daar iinmiddels vijftien jaar. Niet als symbool, niet als slachtoffer maar gewoon als Dennis. Luuk blijft voor Defensie werken. Niet als militair, maar nu vanuit zijn expertise als gedragspsycholoog en wat hij toen onbewust deed, gebruikt hij nu bewust. De lessen van die dag zijn blijvend. De twee houden contact. Blijven elkaar bellen en zien, dat is nooit verdwenen.
Zichtbaar en onzichtbaar
Luuk vertelt over een moment dat hem raakt. Koning Willem-Alexander die Dennis een hand geeft, omdat zijn verwonding zichtbaar is. “En Dennis zegt dan: dat is mijn groepscommandant. Die zat ook in het voertuig.” Het gaat niet om wie meer heeft verloren, zegt Luuk. “Het gaat om gelijkheid. We zaten in hetzelfde schuitje.” Dennis heeft één tatoeage: Vulneratus, nec victus (Gewonnen, maar niet verslagen) en Luuk draagt het groepssymbool, een Spartaanse Helm, met daaronder de tekst: nec victus (maar niet verslagen) juist uit respect omdat inzetbaarheid niets zegt over waarde.
Aan het einde van het gesprek voor Mee Op Missie komt de muziek terug. Het nummer dat hen terugbrengt naar die ochtend. “Als we gaan, dan gaan we met z’n allen.” Niet als strijdkreet maar als belofte aan elkaar. Dit verhaal gaat over kameraadschap die niet stopt bij de missie, over zichtbare en onzichtbare wonden en over mensen die in dienst van de vrede keuzes maakten die hun leven voorgoed veranderden.