verhalen

BNMO: “Je bent pas verslagen als je zelf opgeeft”

Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers is genomineerd voor de Witte Anjer Prijs 2025. Ter gelegenheid van hun nominatie werden algemeen voorzitter Ronald Odenkirchen en lid Gerard van Leeuwen geïnterviewd. Op deze pagina lees je over de organisatie

Ronald Odenkirchen, algemeen voorzitter BNMO
‘Je bent pas verslagen als je zelf opgeeft. ’

Voor Ronald Odenkirchen is het geen loze kreet. Je bent pas verslagen als je zelf opgeeft is het motto dat boven zijn bureau hangt en het werk van de BNMO samenvat. Als voorzitter van deze organisatie, die al tachtig jaar opkomt voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers, de term veteraan bestond toen nog niet, ziet hij dagelijks hoe essentieel het werk van de BNMO is en blijft.

De BNMO richt zich op het vaak onzichtbare leven achter de voordeur van deze mensen en hun gezinnen. De organisatie helpt dienstslachtoffers die worstelen met psychisch of fysiek letsel, vaak jarenlang na hun actieve diensttijd. Via lotgenotencontact, juridische ondersteuning en op maat gemaakte programma’s helpt ze waar het reguliere systeem tekortschiet. De organisatie, met elf regionale afdelingen, is een onmisbare schakel in de veteranenzorg.

Het particuliere en onafhankelijke initiatief groeide uit tot een organisatie die haar sporen naliet in het veteranenlandschap. Het NLVi, het MRC, Gehandicaptensport NL, de Audrey Hepburn funding- en prijs, het WVF, Vfonds, zelfs elementen van het zorgsysteem en juridische ondersteuning hebben hun wortels in het werk van de BNMO. “De BNMO stond er toen er nog niets was georganiseerd en niemand anders het deed. En nog steeds zijn we vaak de eersten die zien wat er nodig is en misgaat.”

Hij is de eerste om te benadrukken dat dit niet zijn verdienste is. De BNMO bouwt voort op tachtig jaar inzet van voorgangers en vrijwilligers. De organisatie blijft zich ontwikkelen en blijft helaas nog steeds nodig. Ze is er inmiddels ook voor andere geüniformeerden die door hun werk gewond zijn geraakt.

Onder Ronalds voorzitterschap werd een lang gekoesterde wens werkelijkheid: ook militairen die in en door de dienst tijdens hun diensttijd gewond raakten maar geen veteranenstatus hebben, ontvangen nu een officiële erkenning. Op 30 augustus, tachtig jaar na de oprichting, reikt de minister van Defensie symbolisch de eerste draaginsignes uit. In totaal krijgen 13.000 mensen die erkend militair dienstslachtoffer zijn en daar blijvend letsel aan overhielden, eindelijk ook zichtbaar de waardering die zij allang verdienen.

Over de nominatie voor de Witte Anjer Prijs zegt hij: “Kippenvel”. Voor mij en voor al die vrijwilligers en voorgangers die zich hiervoor hebben ingezet. Dat hun werk nu gezien wordt, dat is misschien wel de mooiste erkenning.”

Gerard van Leeuwen, lid
‘Hier hoef je niets uit te leggen. ’

Toen Gerard in 1979 als achttienjarige op missie ging naar Libanon, wist hij niet dat die ervaring hem een leven lang zou tekenen. Pas veel later, in stilte en met horten en stoten, begon hij te beseffen wat die uitzending met hem had gedaan. Jarenlang hield hij zich staande: gezin, werk, verantwoordelijkheden. Maar ergens begon het te wringen: het gevoel dat er iets niet klopte. 

Via een maatschappelijk werker kwam hij in contact met de BNMO. In 2019 volgde de diagnose PTSS. Bij de BNMO voelde het als een veilige huiskamer. Een plek waar hij zich niet hoefde te verantwoorden, waar het niet vreemd was als je even uit een activiteit stapte om op adem te komen. “Hier mag je even koffie gaan halen en later weer aansluiten.” Dat vanzelfsprekende begrip, maakte het verschil. 

Via de BNMO nam Gerard deel aan sportieve programma’s, motorritten en ontmoetingsweekenden. Samen wandelen, fietsen, praten. De toegevoegde waarde zat in het gewone. Tijdens het wandelen of mountainbiken komen de verhalen vanzelf. Over boodschappen doen, wakker liggen, hoe je de dag doorkomt. Die lotgenoten gaven hem richting en houvast. 

 

In de loop der jaren heeft hij, als voormalig brandweerman, van dichtbij gezien hoe de BNMO de programma’s ook aanbiedt voor overige geüniformeerden die traumatische ervaringen hebben meegemaakt. Wat Gerard vooral waardeert is de ruimte die de BNMO biedt voor maatwerk. Niet iedereen past in een standaardtraject. Wat je ook kiest, het wordt gerespecteerd. Je mag je eigen weg gaan, in je eigen tempo. 

Ook buiten de programma’s bleef de organisatie een ankerpunt. Of het nu ging om juridische ondersteuning, hulp bij het ABP of gewoon een luisterend oor, er was altijd iemand bereikbaar. Je hoeft het niet alleen te doen. Dat is misschien wel het grootste verschil met vroeger. 

Voor Gerard is de erkenning die nu komt met het draaginsigne voor alle dienstslachtoffers van diepe betekenis. Niet alleen voor hem, maar ook voor zijn gezin en lotgenoten. Ze hebben nooit om die littekens gevraagd, maar ze droegen wel het uniform en deden dit in opdracht. Dat mag eindelijk gezien worden. Dat de BNMO is genomineerd voor de Witte Anjer Prijs voelt terecht. “Tachtig jaar lang staan ze al naast ons. Zonder opsmuk. Zonder voorwaarden. Dat verdient respect en waardering.”