verhalen

Het verhaal van Klaas Sandjer: "De Korpsgeest blijft"

Klaas Sandjer (1935) werd geboren in het Groningse Bellingwolde, waar de lucht weids is en de mensen nuchter. Hoewel hij het advies kreeg om naar de MULO te gaan, koos hij liever voor een vak met zijn handen. Hij werd leerling-timmerman, werkte in Emmeloord, maar vond uiteindelijk zijn roeping niet in hout, maar in discipline. De militaire dienst lonkte. Geïnspireerd door wat hij gelezen had in de Winschoter Courant stuurde hij als zestienjarige een brief naar de opleiding van het Korps Mariniers. Enkele dagen later reisde hij af naar het keuringscentrum in Voorschoten. Na een strenge selectie van een week was hij een van de weinigen die werd toegelaten.

Klaas werd geplaatst in klas 42 in Doorn. Zijn opleiding werd onderbroken door de watersnoodramp in 1953, waarbij hij als jonge marinier direct werd ingezet voor hulpverlening op Texel. Na een rijopleiding in Hollandse Rading en dienst op de kruiser Admiraal de Ruyter, volgde zijn uitzending van achttien maanden als marinier naar Nederlands Nieuw-Guinea in april 1955.

Als jonge boerenjongen stapte hij op het vliegtuig, niet wetend wat hem te wachten stond. Na een lange reis kwam hij aan in Biak, waar de klamme hitte, de muggen en het slapen onder een klamboe meteen duidelijk maakten dat dit een andere wereld was. Na een korte acclimatiseringsperiode werd hij overgeplaatst naar Kaimana, een afgelegen kustplaats met een kleine marinebasis. De opdracht van de missie bleef voor Klaas altijd vaag. 

Die anderhalf jaar in Nieuw-Guinea heeft Klaas nooit meer losgelaten. Niet vanwege de tropenzon of het avontuur, maar vanwege de jungle. “Het was geen bos, het was een muur van groen,” vertelt hij. Twee keer liep hij zware patrouilles van twaalf tot veertien dagen door dicht, moerassig regenwoud. Papoea’s droegen de munitie en proviand en met hun lange messen baanden ze de weg door ondoordringbare vegetatie. De mariniers voelden zich niet de leiders, maar eerder de volgers. Klaas: “Ik had altijd het gevoel dat wij met de Papoea’s meegingen, en niet andersom.”

De patrouilles waren slopend: hitte, bloedzuigers, malariamuggen en het constante gevoel van dreiging. De mannen sliepen op de grond of in de bomen, aten minimale rantsoenen rijst en vochten tegen uitputting. Klaas werd uiteindelijk geveld door malaria. Hij bracht tien dagen in complete isolatie door in de ziekenboeg. “Ik was een schim van mezelf,” herinnert hij zich. 

In september 1956 keerde hij terug naar Nederland. Op Schiphol stond een auto klaar om hem en drie andere Noordelingen naar huis te brengen. De ontvangst was afstandelijk: “Je bent een soort bezienswaardigheid,” zegt hij. Na twee weken tropenverlof werd hij geplaatst bij Korps Mariniers in Den Helder.

Op aandringen van zijn geliefde Annie koos hij twee jaar na terugkeer uit Nieuw-Guinea voor het burgerleven. Hij trad in dienst bij de politie Amsterdam, waar hij uiteindelijk vijftien jaar werkte, voornamelijk op bureau Warmoesstraat.

Zijn tijd als politieagent was intens. In Amsterdam maakte hij de bouwvakrellen mee, krakersrellen op de Nieuwmarkt, het huwelijk van Beatrix en Claus en tragische ongelukken. 

In Helmond, waar hij later naartoe verhuisde, maakte hij als diender opnieuw veel mee, waaronder heftige treinongevallen. “Ik heb mensen in stukken onder de trein vandaan gehaald. En dan moet je ze bij elkaar zoeken.