Mijn vader was heel trots toen ik bericht kreeg dat ik aangenomen was voor de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Ikzelf was door het dolle heen. Als klein kind droomde ik al van een baan bij defensie. Ik ging mee naar open dagen, reünies en commando-overdrachten. Ik keek mijn ogen uit. Krijgsgeschiedenis had ook mijn aandacht. Onze vakanties naar Normandië vond ik machtig interessant.

Mijn vader was in de jaren ’90 commandant van 17 Pantserinfanterie bataljon Garde Regiment Fuseliers ‘Prinses Irene’, welke de tradities draagt van de Prinses Irene Brigade. Ik keek op tegen de veteranen van deze Brigade. Ik genoot van hun verhalen en was gefascineerd door hun tradities. Ik wist als kind al snel dat ik ooit van dat regiment deel uit wilde maken. En zo geschiedde.

Twee momenten waarop onze geschiedenis bij defensie samenviel staan mij nog goed bij. Toen ik in 2006 in Afghanistan zat werd daar net een ECHOS HOME geopend (kantine voor militairen). Mijn vader was al uit dienst, maar o.a. nog voorzitter van ECHOS HOME international en vloog speciaal naar Uruzgan om de ECHOS te openen. We waren net terug van een meerdaagse patrouille en ik was met mijn plaatsvervanger onze fab aan het poetsen, toen een bekende stem riep: ‘dat doet ie thuis anders nooit’. Het was mijn vader, in burgerkleren. Heel vreemd om zo ver van huis toch iets van thuis dichtbij te hebben. We hebben toen een middag gehad om samen koffie te drinken. In 2009 hadden we twee dagen samen in Afghanistan. Deze momenten waren voor mij heel speciaal. Je vertrouwde vader in een onbekende omgeving.

Ons vak heeft ons altijd gebonden. Aan de eettafel vlogen de afkortingen over tafel, soms tot ergernis van mijn moeder. Mijn vader en ik hadden iets samen waar anderen niet over konden meepraten. Dat maakt de vader-zoon band voor mij heel sterk en bijzonder.

Ik kijk uit naar 30 juni, Veteranendag. Dan lopen wij samen vooraan in het defilé. Nog één keer samen in het uniform van ‘onze’ Garde.

 

Meer verhalen