In deze periode denk ik niet alleen aan de vervelende herinneringen die ik heb overgehouden aan mijn missie, maar ook aan alle mooie momenten in Afghanistan. De verbondenheid tussen de jongens, het contact met de lokale bevolking. In het bijzonder denk ik aan mijn grote kleine vriendin.

Tijdens patrouilles gingen we vaak langs bij de lokale stamoudsten in de omgeving van de buitenpost. Sommigen waren ons goed gezind, anderen wat minder. Rondom de qala’s (ommuurde huizen of huizengroepen) waren altijd veel kinderen aanwezig. Aan hun reactie kon je wel voelen hoe de stemming was. Soms bleven ze op afstand en zochten ze geen of weinig contact, een andere keer kwamen er zwermen kinderen op ons af; om te kijken, kletsen of te voetballen.

Bij één van de stamoudsten waren we altijd welkom. Hij woonde vlakbij de buitenpost en vaak gingen we er te voet naar toe. Terwijl de patrouillecommandant binnen ging praten zat de rest van de patrouille in een beschermende ring om de qala heen. Hier kwamen altijd kinderen op ons af.

Eén van die kinderen was een meisje, ik denk van een jaar of acht. Als wij aankwamen stond ze vaak al breed lachend te zwaaien, ook al reden we enkel met onze voertuigen voorbij. Als we op voetpatrouille waren en we lagen om de qala heen kwam ze naar buiten met een dienblad met glazen thee erop. De thee was mierzoet, er zat meer suiker dan water in.

We snapten niks van elkaar; ik sprak haar taal niet en zij de mijne niet. Zij was acht, ik was achtentwintig. En toch, haar opgewekte koppie en de ‘gesprekjes’ met haar maakte mij altijd vrolijk. Het was eigenlijk verboden om de lokale bevolking iets te geven. Aan mijn grote kleine vriendin gaf ik stiekem altijd een koek of wat snoepjes.

Mensen zeggen vaak tegen mij dat de missie in Afghanistan zinloos is geweest, en dat we er nooit iets zullen bereiken. Ik houd mijzelf dan altijd voor dat als onze aanwezigheid daar tot gevolg heeft dat dit meisje naar school kan, niet op haar tiende wordt uitgehuwelijkt, maar zelf keuzes kan maken. Dan is deze missie voor mij geslaagd.

Ik zal het nooit weten, maar ik hoop dat het haar goed gaat. Ik hoop dat ze af en toe met plezier terug denkt aan die Nederlander die haar stiekem wat snoep toeschoof. En zo denk ik aan haar: dat deze missie absoluut niet voor niks geweest.

Meer verhalen