“Ik ben me ervan bewust dat ik veteraan ben. Niet zozeer door de voorbereidingen die ik moet treffen voordat ik op missie ging, zoals het vastleggen van je wensen voor je  begrafenis, maar juist door de reacties van andere mensen. Ik ben natuurlijk jong en dat associëren mensen niet met een veteraan. Als ik nieuwe mensen leer kennen vragen ze als eerste; ben je niet bang om op uitzending te gaan? Dan vertel ik wat ik heb meegemaakt heb en dat ik al op missie ben geweest.

Laatst discussieerde ik nog met mijn baas over de definitie “veteraan”. Volgens de ‘nieuwe’ veteranenwet ben ik een veteraan. Mijn huidige baas dacht; als je uit dienst bent dan ben je pas echt actief veteraan! Anderen vinden iemand pas een veteraan als je in een vuurgevecht hebt gezeten. Best lastig deze discussie. Ik ben in 2008 als wachtcommandant van een detachement met International Security Assistance Force (ISAF) naar Afghanistan geweest. Ook ik betrap me mezelf erop dat ik anders kijk naar de militairen die in vuurgevechten hebben gezeten. Toch ben ook ik een veteraan. Door mijn tijd in Afghanistan ben ik veranderd. Mensen vonden mij na terugkomst volwassener en rustiger. Niemand had van tevoren gedacht dat ik me zou aanmelden voor de KMA. Mijn toenmalige vriendje zat bij de KMA en is jaren later naar het Korps Commandotroepen gegaan. Hij heeft me enthousiast gemaakt. Hij vertelde over oefeningen in Noorwegen en Duitsland. Over buiten slapen, veel sporten en jezelf redden. Dat wilde ik ook!

“Mijn taak was om het kamp in Deh Rawod te bewaken.”

De KMA opleiding vond ik heftig. Ik ging overal tegenin. Als ik het ergens niet mee eens was dan moest ik dat zeggen. Ik was nog heel jong en onzeker. Achteraf bekeken ben ik op de KMA gevormd, zowel mentaal als fysiek. Na drie jaar vond ik het te spannend om als twintigjarige leiding te geven. Ik ben daarom overgestapt op de Koninklijke Militaire School (KMS). Bovendien wilde ik iets “groens” doen. Ik wilde in het bos zitten en het echte militaire gevoel meemaken. Kort daarna, in 2008, ging ik op een korte missie naar Afghanistan. Daar was ik verantwoordelijk voor een groep van acht man. We hadden als taak om, in samenwerking met een aantal Afghanen, het kamp in Deh Rawod te bewaken. In het wachthokje bij de hoofdpoort zag ik veel voorbij komen. Tolken waarmee we samenwerkten en bezoekers en Afghanen die om medische hulp vroegen. Zoals bijvoorbeeld die keer dat een man aan de poort op blote voeten zich meldde met zijn pasgeboren kindje in zijn armen. Het kindje had een open ruggetje en heeft het helaas niet gehaald. Buiten de poort stond de wachttoren Java. Op mijn eerste shift op Java bombardeerden de Amerikanen het gebied voor de wachtpost. Daar zaten volgens de Amerikanen Talibanstrijders. Dat maakte grote indruk op me. Ik voelde toen direct de dreiging.

Sommige Afghanen moesten wel wennen aan een jonge vrouwelijke militair. Een aantal Afghanen, die werden opgeleid tot politieagent, moesten onderzocht worden. Ik mag geen mannen fouilleren en ik was bovendien plaatsvervangend wachtcommandant. Ik stond daarom met een wapen toezicht te houden. Een van de Afghanen werd woest en schold me verrot. Onze tolk wilde zijn woorden zelfs niet vertalen. De meeste Afghanen waren eerst afwachtend, maar daarna heel vriendelijk. Eigenlijk heb ik vergeleken met een infanterist niet zoveel meegemaakt. Ik heb dan ook veel respect voor hen. Maar tegelijkertijd zit je ook in een oorlogsgebied. Wat je functie ook is, barman, psycholoog, wachtlopen of bij de logistiek, je zit in een oorlogsgebied. En dat is hoe dan ook heftig”.

Meer verhalen