Hans Vlijm

SFIR (Irak), 2003)

'Militairen verdienen meer waardering'

Na bijna vier weken van zware gevechten en bombardementen door de Engelsen en Amerikanen viel op 9 april 2003 de regering van Saddam Hussein. Na afloop van de oorlog stuurde de VN militairen naar Irak: de stabilisatiemacht SFIR. SFIR moet de Irakezen assisteren bij de wederopbouw van het land en zorgen voor veiligheid. Dat is geen eenvoudig karwei, want het is nog steeds erg onrustig in Irak. Sinds juli 2003 zijn er ook Nederlandse militairen in Irak aanwezig. Zij moeten de vrede bewaren in de provincie Al-Muthanna, een woestijngebied groter dan Nederland, dat in het zuiden van Irak ligt.

Marinier Hans Vlijm was één van de eerste Nederlandse militairen die, in het kader van de operatie SFIR, naar Irak werd uitgezonden. Hij is ervan overtuigd dat de Nederlanders er goed en nuttig werk verrichten. 'Al Muthanna schijnt de rustigste provincie in Irak zijn. Maar dat viel mij erg tegen. Als dit de rustigste provincie is, wil ik de rest niet zien.'

Volgens Vlijm zijn de meeste mensen in Al Muthanna blij met de aanwezigheid van de Nederlandse militairen. 'We konden goed met de bevolking samenwerken. Wel moesten we af en toe onze tanden laten zien. Een cementfabriek werd bijvoorbeeld elke nacht door plunderaars overvallen. Om de plunderingen te stoppen, hebben we twee keer onze wapens moeten gebruiken. Maar daarna konden er weer mensen in de fabriek aan de slag. Zo hebben we achthonderd mensen aan het werk kunnen helpen.' Verder hielpen de Nederlandse militairen om wapenhandel en corruptie te bestrijden. 'Dat is ook goed voor ontwikkelingsprojecten', legt Vlijm uit. 'Wij letten erop dat elke euro op de plaats van bestemming terechtkomt en niet in andermans zakken verdwijnt.'

Het werk van militairen is in de loop der jaren erg veranderd, denkt de marinier. 'Vroeger moest je in dienst om je landsgrenzen te verdedigen. Tegenwoordig is het Nederlandse leger er veel meer op gericht om mensen te helpen.' Toch blijft de mogelijkheid om geweld te gebruiken onlosmakelijk met het leger verbonden. 'Als dat niet zo was, dan konden organisaties als Artsen zonder Grenzen en het Rode Kruis het in dit soort gebieden wel alleen af', aldus Vlijm.

Wat hem betreft, zou er in Nederland best wat meer waardering mogen zijn voor militairen. 'Als je in het leger zit, moet je soms heel snel keuzes maken. Bijvoorbeeld of je je wapen gebruikt of niet. Dat is heel moeilijk. In zo'n situatie heb je nauwelijks de tijd om na te denken. Als later blijkt dat je beter een andere beslissing had kunnen nemen, is er in Nederland al gauw veel kritiek. Maar voor buitenstaanders is het achteraf makkelijk oordelen.' Hij benadrukt dat het werk van militairen grote risico’s met zich meebrengt. 'Er wordt wel gezegd: daar kies je toch zelf voor? Dat is waar. Maar niemand kiest ervoor om gewond te raken of gedood te worden. Dat er slachtoffers vallen is heel erg.' Toch is het het risico volgens Vlijm wel waard. 'Als niemand iets durft te doen, dan komt het sowieso niet goed in Irak. Alleen door de mensen te helpen, kunnen we de voedingsbodem voor het terrorisme kleiner maken.'

De marinier merkt dat lang niet iedereen in Nederland het belang van vredesmissies inziet. 'Veel mensen denken: 'Laat de bevolking het daar zelf maar uitzoeken.' of 'Wij Nederlanders zouden zoiets nooit doen.' Maar als je zelf niks meer hebt en er staat een oorlog voor de deur, dan heb je weinig te kiezen. Dan doe je gewoon mee. Wij zouden in zo'n situatie waarschijnlijk precies hetzelfde reageren. Door mijn werk bij Defensie ben ik pas gaan beseffen, hoe goed we het in Nederland hebben.'

Terug