Gregor van der Sluijs

(Tweede Golfoorlog, 1991)

'Amper erkenning voor oorlogsmissie'

Na de inval van Irak in het kleine buurland Koeweit op 2 augustus 1990 ontstond de Tweede Golfoorlog. Nog dezelfde dag nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) een resolutie aan waarin het Irak van Saddam Hoessein werd opgeroepen om zich uit Kuweit terug te trekken. Onder leiding van Amerika ontstond een anti-Iraakse coalitie die met instemming van de VN onder de code naam Desert Storm de Irakezen met geweld uit Kuweit zou verdrijven. Nederland droeg bij aan deze militaire operatie met o.a. enkele marinefregatten en een medisch team van de landmacht.

'Ik vind dat Defensie onvoldoende erkenning heeft voor de dertig landmacht-militairen die actief hebben gediend tijdens de Tweede Golfoorlog.' Aan het woord is Gregor van der Sluijs (41). Hij maakte begin 1991 als verpleegkundige deel uit van een medisch militair team dat werd ingedeeld bij een Zweeds noodhospitaal bij Riaad, de hoofdstad van Saudi-Arabië.

Het hospitaal lag binnen de aanvliegroute naar Riaad. 'We waren er nog maar net, toen we te maken kregen met de eerste raketaanval. Onze patiënten waren Irakese krijgsgevangenen, die gewond waren geraakt bij de bevrijding van Koeweit. Het was een echte oorlogsmissie, maar je hoort er vrijwel nooit iets over', vertelt Gregor van der Sluijs. Het zou niet bij die ene raketaanval blijven. 'Ik schat dat we er in totaal zo'n 25 tot 30 hebben meegemaakt.'

De samenwerking met de Zweden verliep in het begin niet vlekkeloos. 'De Zweden dachten niet in termen van oorlogschirurgie en naaiden gelijk alles dicht. Maar een oorlogswond is altijd besmet, is altijd smerig en die moet je dus open laten. Dan kan de rotzooi eruit en na een paar dagen kan het dicht. Als graadmeter gebruik je je neus. Ruikt het fris, dan kan het dicht. Ruikt het niet fris, dan laat je de wond nog open. Het kostte ons moeite de Zweden daarvan te overtuigen, maar na verloop van tijd ging het wel beter.'

Toen op 24 februari 1991 Koeweit binnen honderd uur werd bevrijd, begon voor het medische team het echte werk. ' We kregen krijgsgevangenen met schot-, scherf- en brandwonden. Bij het merendeel hebben we een arm of een been moeten amputeren.' Van der Sluijs herinnert zich de sfeer in het militair hospitaal nog goed. 'De 'gewone' Irakese militair was blij dat hij niet meer hoefde te vechten en dat hij niet meer in de woestijn zat. Sommigen hadden maanden in de woestijn gelegen met amper hulp, ze moesten het zelf maar regelen. Ze waren dus blij dat ze in het geneeskundig systeem waren terechtgekomen, ze kregen eten, ze konden zich wassen en hun wonden werden verzorgd.'

Op 3 april 1991 vertrok het medische team van de landmacht weer naar Nederland. 'Ik merkte al snel dat ik thuis op dezelfde manier bleef reageren. In het ziekenhuis vroeg een patiënt om een glaasje water. Ik kafferde hem uit: 'Wat denk je wel? Je hebt beide armen en benen nog. Haal het zelf!' Toen dacht ik: oei, dit is niet helemaal de verpleegkundige attitude. Ook thuis liep het steeds minder lekker.' De militair verpleegkundige viel naar eigen zeggen in een 'diep donker gat'. 'Er was ook geen enkele aandacht voor ons. Dat is een van de dingen die er voor gezorgd heeft dat ik nu nog onder behandeling ben bij het Centraal Militair Hospitaal in de dagbehandelingsgroep voor veteranen met een trauma.'

Van der Sluis vindt dan ook dat er best meer aandacht voor veteranen mag zijn. 'De jeugd heeft een romantisch beeld van een veteraan en dat wordt gevoed door stoere films over de Tweede Wereldoorlog. Maar er is ook nog een andere kant. Daar kan ik over meepraten.'

Terug