Richard Koster

(Nederlands Nieuw-Guinea, 1958)

'De geschiedenis herhaalt zich'

Hoewel Nederlands-Indië eind 1949 overging in een zelfstandig Indonesië, zou Nederlands Nieuw-Guinea nog ruim twaalf jaar in Nederlandse handen blijven. In die periode liepen de spanningen tussen beide landen hoog op. Indonesië maakte steeds nadrukkelijker aanspraak op het land van de Papoea's en het politieke conflict kreeg meer en meer een militair karakter. In 1962 droeg Nederland het gebied, via een tussenbestuur van de Verenigde Naties, over aan Indonesië.

Marineman Richard Koster werd in 1958 uitgezonden naar Nederlands Nieuw-Guinea. 'Wij moesten een stukje Nederland aan de andere kant van de wereld verdedigen', vertelt de inmiddels 68-jarige Koster. 'We hebben weinig geleerd van de geschiedenis. In Irak en Afghanistan gebeurt nu weer hetzelfde als vroeger in Nieuw-Guinea. Alles draait om politiek en economie.'

In eerste instantie was Koster radiotelegrafist. 'We zaten 24 uur per dag op een bergtop om radio-uitzendingen af te luisteren en om verbindingen tot stand te brengen, zowel lokaal als met Nederland.' Het werk op de bergtop was eenzaam en soms gevaarlijk. Vooral wanneer er Papoea's in de buurt waren die vonden dat de Nederlanders niets te zoeken hadden in hun land. Ze wilden onafhankelijkheid en dachten dat Indonesië daar wel voor zou zorgen. 'Soms werden we bedreigd met pijl en boog, een andere keer was er sprake van sabotage. Dan lieten pro-Indonesische Papoea's vlees dat voor ons bedoeld was bewust te lang in de zon liggen. In plaats van vers vlees kregen we vlees waar de maden uit kropen. We zaten dan weken zonder en aten alleen groenten, aardappelen uit blik of rijst met sojasaus.'

Koster werd na zes maanden overgeplaatst. 'Ik werd verbindingsman op de Johan Maurits van Nassau en met dit schip hebben we langs de eilanden van Nederlands Nieuw-Guinea gevaren om Indonesische vlucht- en vaarbewegingen in de gaten te houden.' Een jaar later keerde Koster terug naar Nederland. Daar begon hij aan een opleiding voor vliegend personeel bij de Marineluchtvaartdienst, waarna hij als vliegtuigtelegrafist aan boord van het vliegkampschip de Karel Doorman werd geplaatst. 'Een geweldige tijd, met prachtig materiaal, de nieuwste elektronica, goed opgeleide mensen en veel kameraadschap.'

Met de Karel Doorman ging Koster in 1960 terug naar Nederlands Nieuw-Guinea. 'Dat was een vlagvertoonreis, je vaart dan op volle oorlogssterkte. Een stukje koloniale bravoure dus. Een soort op de borst kloppen naar Indonesië, om te laten zien dat wij er klaar voor waren als zij foute dingen wilden doen.' Koster keerde teleurgesteld terug naar Nederland. 'Ik zie die reis als verkwisting van belastinggeld. Nederland heeft Nieuw-Guinea zo lang gehouden vanwege de delfstoffen in het land. En tot op de dag van vandaag gaan de opbrengsten niet naar de Papoea's, maar naar schatrijke Indonesiërs of Amerikanen.'

Volgens Koster is er maar bar weinig veranderd. 'Kijk maar naar Afghanistan of Irak. Daar draait het toch alleen maar om de olie?' Hij ziet nog meer overeenkomsten tussen zijn uitzending en de missies waaraan Nederlandse militairen op dit moment deelnemen. 'De tijden zijn veranderd, maar of je nu een geweer of een pijl en boog op je gericht krijgt, in beide gevallen voel je je behoorlijk bedreigd.'

De Nieuw-Guineaganger vindt dat er op scholen veel te weinig aandacht is voor veteranen. Niet alleen binnen de lessen, maar ook als het gaat om leerlingen van wie de vader of de moeder uitgezonden is geweest. 'Scholen moeten beter in de gaten houden of deze kinderen gedragsveranderingen vertonen. Bijvoorbeeld doordat ouders zijn gescheiden na terugkeer van de uitgezonden ouder. En hoe vindt zo'n kind het om vaderdag te vieren terwijl vader in Irak zit? Daar moet op school veel beter op worden gelet.'

Terug